Detailhandel zet in september bijna 6 procent meer om; webwinkels plussen 19 procent

Nieuws - De detailhandel in Nederland heeft in september 5,8 procent meer omgezet dan in september 2016, meldt het CBS. De verkopen waren 4,4 procent hoger. De omzet van zowel de foodsector als de non-foodsector groeide. Daarnaast is er online ruim 23 procent meer omgezet.

De omzetcijfers zijn gecorrigeerd voor veranderingen in de samenstelling van de koopdagen. Zonder correctie was de omzet van de detailhandel bijna 7 procent hoger dan in september 2016. De winkels in voedings- en genotmiddelen behaalden in september een omzetstijging van ruim 2 procent. Het volume kromp echter met bijna 1 procent. De ontwikkeling van de omzet en het volume van de supermarkten en de speciaalzaken was vrijwel hetzelfde. Beide realiseerden ruim 2 procent meer omzet, maar bijna 1 procent minder volume.

Online
De online omzet lag volgens het CBS in september ruim 23 procent hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder. Webwinkels zetten bijna 19 procent meer om. Webwinkels hebben als hoofdactiviteit verkoop via internet. De online omzet van winkels waarvan de verkoop via het internet een nevenactiviteit is, de zogenaamde multi-channelers, groeide met bijna 31 procent.

Bron: CBS/@FoodClicks

Auteur: Paul Peter Blonk

Horeca plust in het tweede kwartaal, maar groeicijfer vraagt wel nuancering

Marktcijfers - De horecaomzet groeide in het tweede kwartaal met 9,1% ten opzichte van hetzelfde kwartaal vorig jaar. Ten opzichte van het eerste groeide de omzet met 1,8%. De positieve cijfers die het CBS gisteren bekendmaakte vragen volgens Koninklijke Horeca Nederland (KHN) wel om enige nuancering.

Robèr Willemsen, voorzitter van KHN: “Onze branche profiteert van een gunstig economisch klimaat; Nederlanders en toeristen consumeren meer in de Nederlandse horeca en geven daarbij ook meer uit. Maar we moeten ook realistisch zijn. Omzet is nog geen winst. Er zijn hotels, restaurants en cafés waar het hartstikke goed gaat, maar er zijn ook nog steeds bedrijven waar het minder goed gaat. Bovendien zijn er ook dit kwartaal weer veel horecazaken bijgekomen, waardoor de concurrentie verder toeneemt.”

Sterke groei fastservice

Binnen de horeca ging het in het tweede kwartaal van 2017 met alle verschillende bedrijfstakken goed. De hoogste omzetgroei is te zien bij fastservicebedrijven. Dat sluit aan bij het feit dat het eetpatroon van mensen de laatste jaren verandert. Meer mensen kiezen voor gemak en snelheid en laten vaker eten bezorgen. Het aantal fastservicebedrijven (snackbars, fastfood-restaurants, lunchrooms en bezorgdiensten) groeit dan ook sneller dan het aantal restaurants. Zo laat KHN weten. Daarbij komt dat het aantal bedrijven harder groeit dan het aantal verkochte consumpties. Al geven consumenten wel meer uit voor deze consumpties. Dat betekent dat de omzet over meerdere bedrijven moet worden verdeeld.

Nuancering

Ook bij cafés, waar het eerder minder goed ging, zien het CBS in het afgelopen kwartaal een duidelijk herstel. Toch is daar een relativering op z’n plaats, volgens de horeca-voorman, want in vergelijking met tien jaar geleden is een-vijfde van de cafés (en daarmee hun omzet) verdwenen.

Volgens KHN is het van belang niet alleen naar de voorkant van de cijfers te kijken, maar ook naar de achterliggende zaken. Toenemende concurrentie door meer horeca-aanbod, stijgende huurprijzen en grotere afdrachten aan commissies zetten de marges onder druk. In lang niet alle gevallen wordt die zaken gecompenseerd door de toename in de omzet, volgens KHN.

Bron: KHN/@FoodClicks

Auteur: Steffen van Beek

ProFri laat CBS frituurbranche compleet in kaart brengen

Fastservicesector - De Nederlandse frituurbranche is veel groter dan de laatste tien jaar door onderzoeksbureaus werd getaxeerd. Er zijn niet 4800 professionele frituurbedrijven, maar circa 5650. De gezamenlijke omzet van deze bedrijven is minimaal 1,2 miljard euro. De Nederlandse frituurbranche biedt werk aan zeker 55.000 mensen.

Deze conclusies trekt de Vereniging Professionele Frituurders (ProFri) uit het pas verschenen rapport dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakte in opdracht van de vakvereniging. De cijfers over de totaalomzet, recente omzetontwikkelingen en het aantal bedrijven brachten ProFri en CBS al eerder dit voorjaar naar buiten.

Nieuw is het gegeven dat de omzet van ProFri-leden (ondanks de crisis) sinds 2010 groeide met bijna 20 procent. De gegevens over het personeelsbestand zijn helemaal nieuw – en vastgesteld op basis van het CBS-onderzoek naar ProFri’s ledenbestand.

De personele gegevens op een rijtje:

● Cafetaria’s, snackbars en frituren hebben gemiddeld 10 medewerkers;

● In de frituurbranche werken circa 55.000 mensen;

● Ruim 58 procent van de medewerkers is vrouw;

● 87 procent van de medewerkers heeft een deeltijdbaan;

● 53 procent van de medewerkers werkt minder dan 12 uur wekelijks;

● 1 op de 5 medewerkers werkt 30 uur of langer per week;

● Ruim 63 procent van de medewerkers heeft een vaste arbeidsrelatie;

● Ruim 61 procent heeft een maandloon onder de 500 euro

Opleidingen

De Vereniging Professionele Frituurders is blij met de wijze waarop het CBS de frituurbranche in kaart heeft gebracht. ProFri-voorzitter Hans Hus: “De reguliere mbo-opleidingen sluiten niet goed aan op onze wensen. Het CBS-onderzoek laat ons zien waarom. Opleiden via het mbo past niet bij de aard van het dienstverband van het overgrote deel van onze medewerkers.” Samen met het Fastservice Opleidingscentrum werkt ProFri aan nieuwe leertrajecten op mbo-niveau. Deze worden vanaf september aangeboden. De eerste e-learningmodules worden inmiddels aangeboden.

Kennis en vakmanschap en het verbeteren ervan draagt ProFri hoog in het vaandel. Voorzitter Hus: “We vinden dit belangrijk, want de wetgever en de consumenten stellen steeds hogere eisen aan onze branche – en dus ook aan die hele grote groep parttime medewerkers.”

Het complete onderzoek is op te vragen bij de Vereniging Professionele Frituurders of te vinden op de website van het CBS.

Bron: ProFri

Auteur: Steffen van Beek

Roken minder populair bij hoogopgeleiden

Marktcijfers - Steeds minder mensen roken, maar de verschillen in rookgedrag tussen mensen met verschillend opleidingsniveau worden steeds groter. Waar het aandeel rokers onder hoogopgeleiden sinds 1989 bijna is gehalveerd, daalde dit minder hard onder laagopgeleiden. Dit blijkt uit de laatste cijfers uit de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor van het CBS, in samenwerking met het RIVM en Trimbos-instituut.

Volgens de cijfers daalt het aandeel rokers van mensen die 25 jaar of ouder zijn al decennia. Het nam af van 38 procent in 1989 naar 24 procent in 2016. Die daling verloopt echter niet overal op dezelfde manier. Zo bevinden zich onder hoogopgeleiden minder rokers dan onder laagopgeleiden. Rond 1990 rookte 38 procent van de laagopgeleiden, 40 procent van de middelbaar opgeleiden en 34 procent van de hoogopgeleiden. Een kwart eeuw later rookte nog 28 procent van de laag-, 26 procent van de middelbaar- en 18 procent van de hoogopgeleiden. Onder de hoogopgeleiden is het aandeel rokers dus sterker gedaald dan onder de laag en middelbaar opgeleiden. Ook het verschil in het aandeel rokers tussen hoogopgeleiden enerzijds en middelbaar en laagopgeleiden anderzijds is groter geworden.

Laagopgeleiden roken vaker

Laagopgeleiden roken niet alleen vaker dan hoogopgeleiden, zij zijn gemiddeld genomen ook de stevigste rokers. Van de laagopgeleide rokers rookt de overgrote meerderheid dagelijks (87 procent). Bij de rokers met een universitaire opleiding is dat minder dan de helft.

Ook zwaar roken (minstens 20 sigaretten per dag) komt meer voor onder lager opgeleiden. Zeven procent van de laagst opgeleiden is een zware roker, terwijl zwaar roken onder de hoogst opgeleiden nauwelijks voorkomt.

Bron: CBS

Auteur: Steffen van Beek